Arie Rouw neemt afscheid

 

Woensdagavond 2 juni 2010, het afscheid van Arie Rouw.

 

Mijn oudste herinnering aan DEV.

Nog geen 14 jaar oud ging ik met Drikus van der Kolk mee naar de repetitie in lokaal Achterstraat. (begin jaren 40). Drikus was schoenmaker en had een zware basstem. Dat werd, volgens hem, veroorzaakt door een erg hoog gehemelte, dat was een goed klankbord zo begreep ik.

Meester Schoenmaker, niet helemaal zuiver, was toen dirigent. Ik mocht nog geen lid worden. Ik had de baard nog niet voldoende in de keel maar als aspirant lid spaarde ik de contributie van het dubbeltje. Na meester Schoenmaker heb ik meen ik, de volgende dirigenten meegemaakt.
Hendrik Brouwer de koster. Meneer van Dalfsen met z'n witte kuif. Dat was de vader van meester van Dalfsen van school. Die hield net als ik erg van zingen. De laatste dirigent was dhr. Rodink uit Zwolle die later naar Zuid-Afrika is vertrokken. Toen zongen we in een zaaltje boven of naast het gymlokaal.

In '44 moest ik me melden voor de arbeidsdienst, waardoor ik als onderduiker bij een boer in het Wapenveldse achterland terecht kwam en daarmee was mijn eerste zangperiode bij DEV afgesloten.
Bij alle leden paste vroeger wel een bijnaam zoals De Mop en De Flappert. Er was zelfs een collega 2e tenor die begiftigd was met meerdere kwalificaties over gehannes met "petten" en ook een "zijden vest". Waar dat voor diende weet ik niet meer, maar het was wel een bijzonder actief lid en naar ik meen een man met een hoog begaafd verstand.

Ik weet ook nog wat we zongen. Het 1ste was een zondagslied: O, stille zondagmorgen vol rust en sabbatsvree, deel aan mijn rustloos harte, iets van Uw vrede mee. Enz. Het werd gedragen gezongen, echt iets voor de .......... Waarom er maar ietsje van vrede en niet om volle vrede werd gevraagd zal wel bij de bescheidenheid van de toenmalige crisis horen. Nou ja een kinderhand is gauw gevuld.

Een heel mooi nummer was een soort gedicht echt in de romantische sfeer. Het was een ode aan een ruïne van een oud klooster of kasteel, luister maar.... "Eenzaam ligt een kloosterruïne langs de groen omzoomde vloed. Alles zwijgt, het beekje, alleene lispeld,... murmelt... aan zijn voet. Denk aan de komma achter lispelen.
Somtijds als de maan komt gluren, en het nachtelijk koeltje zweeft door het groen dat op de bogen van de oude ruïne leeft". (Hebt u een droge zakdoek voor me?)
Oh; dan hoor'k in het murmelend suiselen, ‘d oude kloosterzangen weer. Misèrere meideus, o hoelange nog o Heer. Dat was toch prachtig!?
Er waren ook kwartetten die als wedstrijd werden gezongen. 1ste Het schildertje, 2e Kent gij uw land. Dat was een vogelvlucht van Amsterdam naar Zwammerdam. 3e Het spreekwoord quodlibet. Daar ken ik ook nog wel wat tekst van.  Alles met elkaar, goede gedachten die toch echt wel leuke herinneringen oproepen.

Maar nu: Het zingen gaat, ondanks dat het voor mij als DEV-lid eindigt, gelukkig wel door. Ik heb met graagte deelgenomen aan deze club, maar de omstandigheden van mij en mijn vrouw dienen met nuchterheid geaccepteerd te worden. Ik ben blij te beseffen dat ons pogen om het zingen bijna volmaakt te kunnen doen uitzicht geeft naar de toekomst.
Want het mooiste komt nog, wanneer we voluit kunnen loven en prijzen zonder enige remming. We moeten er maar eens over nadenken hoe vreemd of dat nu klinkt. Ik bedoel dat we straks, in de eeuwigheid niet meer zingen de psalmen, bijv. psalm 32, want dan is er geen zonde meer te vergeven, daar kunnen we zelfs niet meer zondigen. We hoeven niet meer te zingen van vertrouwen want alle dingen liggen vast in het wezen van onze God. Het is alleen dan nog: Halleluja, eeuwig dank en ere, lof aanbidding, wijsheid, kracht. Ik zie er naar uit en ik wens het jullie allen van harte toe. Och, dat mijn gans bedrijf mocht zijn een staag gebed, totdat de leste snik de sprake mij belet.

Het ga u goed, Arie Rouw.

 

« terug naar overzicht